|
Amsterdam, woensdag 3 december 2008
Willink in een glazen bak
Al die streepjes, dat is niks. De vitrines in de Vijzelstraat hebben nu echte kunst.
Nergens wordt de crisis zo treffend verbeeld als in de Vijzelstraat. Eerst die treurige, scheefgezakte en dichtgetimmerde slachtoffers van de Noord/Zuidlijn en dan, o ironie, als klap op de vuurpijl het kantoor van de Autoriteit Financiële Markten.
Maar ik was hier deze dinsdag niet om te doemdenken of te sombermannen, maar vanwege good old Gonny, Hillegonda van Ouden-allen. Het voormalige vuurvliegje van de Amsterdamse politiek, nog steeds eigenaar van reclamebureau Dreams Come True, had me uitgenodigd voor de opening van het 'Vijzelstraatmuseum'. Wat ik me daarbij moest voorstellen, wist ik niet, maar de bezoekers mochten er roken en het was, juichte Gonny, 24 uur per dag geopend.
Toen ik mijn fiets voor het ABN Amro-gebouw parkeerde, werd ik gepasseerd door een oude man met een lange, grijze baard. Hij wierp een prop papier op de grond, en de schoolmeester in mij kon zich niet inhouden. "Gooi dat nou in de prullenbak, man, net zo makkelijk." Met vermoeide, intens droevige ogen keek hij me aan, waarna hij zonder iets te zeggen de prop weer opraapte en verder sjokte. Terstond kreeg ik een hekel aan mezelf.
Ik vervolgde mijn weg, want even verderop, bij de vitrines voor het bankkantoor, was het al een drukte van belang. Blij als een kind huppelde Gonny op me af. "En ik dacht nog wel dat er niemand zou komen!"
Veel tijd had ze niet, want ze moest nog de laatste hand leggen aan de expositie in de glazen bakken.
Mijn blik werd meteen getrokken door een foto van Carel Willink en zijn muze Sylvia Quiël, die nog altijd zijn nalatenschap beheert. De keizer van het magisch realisme overleed 25 jaar geleden. Gonny opende de vitrine en zei: "Wacht, even m'n handtas pakken, die heeft niets met Willink te maken."
Terwijl het trottoir langzaam volstroomde met, aldus Gonny, 'Very Important Amsterdam People', bekeek ik de hommage aan de schilder (Amsterdam, 1900-1983). Affiches van zijn werk. Een portret van Wilma, zijn tweede vrouw. Boeken. Penselen. Een potje blauwe verf. En een paar van de foto's die hij maakte van Amsterdam. Zijn atelier aan de Ruysdaelkade is nog steeds intact, en het is de hoogste tijd dat daar eens een museum van wordt gemaakt.
De tentoonstelling is ingericht door Sylvia Willink-Quiël, zijn vierde vrouw, met wie hij in 1977 in het huwelijk trad. En ineens stond ze naast me. Trots poseerde ze voor de fotografen, every inch a lady. "Dit was Carel z'n buurtje," zei ze, "hier liep hij z'n hele leven rond. Ik vind het wel geestig zo. Beter dan de moderne frutsels die hier altijd lagen - laat ik het beleefd zeggen."
Een vrouw onderbrak haar en zei: "Gefeliciteerd, en ook weer niet." "Hoezo?" vroeg Sylvia (1944). "Nou ja," zei ze aarzelend, "we herdenken ook zijn dood." Sylvia: "Het gaat erom dat de kunst doorgaat."
En zo is het maar net. Gonny voorzag alle gasten van een glaasje prosecco. "Ik ben nu museumdirecteur," zei ze stralend. "De afgelopen jaren heb ik me geërgerd aan hoe de kunst hier werd tentoongesteld. Toen ik de kans kreeg de vitrines te huren, dacht ik meteen aan Willink. Zijn kunst is makkelijk te herkennen en vertelt een duidelijk verhaal. Kunst met alleen maar streepjes zegt niemand iets." En dartel als een hinde sprong ze op een kratje om de expositie officieel te openen. "We dachten: hoe breng je de kunst nou onder de mensen?"
Na afloop ging ze zegenend rond. Iedereen was er, en ze had het hem toch maar weer mooi geflikt. "Kijk, daar is het Rijksmuseum óók!"
Ik dronk mijn glas leeg en zocht mijn fiets weer op. Op de bagagedrager lag een dikke prop papier.
Copyright: Het Parool |